BSS 24

BSS
Bronnen voor de Studie van Suriname


BSS 24

ISBN 90-5170-777-0

uitverkocht

Okke ten Hove, Heinrich E. Helstone & Wim Hoogbergen
Surinaamse emancipatie 1863: Familienamen en plantages.
Utrecht/Amsterdam 2003.Emancipatieserie Suriname 1863Nazaten van slaven kunnen zich er nog steeds hevig over opwinden. Bij de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën op 1 juli 1863 kregen niet zij ‘als slachtoffers van het systeem’ maar hun eigenaren een schadevergoeding van de Nederlandse overheid: f 300,- per vrijgemaakte slaaf, een begrotingspost van zo’n tien miljoen gulden. De Algemene Rekenkamer in Nederland heeft die uitgavenpost indertijd nauwgezet gecontroleerd en daardoor kwamen er veel gegevens over de Surinaamse slaven en hun eigenaren in het Archief van de Algemene Rekenkamer terecht.Dit boek is het eerste uit een serie waarin de persoonlijke gegevens zijn opgenomen van alle 34.443 slaven die kort na 1 juli 1863 in Suriname in de zogenoemde Emancipatieregisters werden ingeschreven. Daarin zijn vrijwel alle voormalige Surinaamse slaven te vinden. De auteurs hebben deze gegevens gecombineerd met data uit het Archief van de Algemene Rekenkamer waardoor een unieke serie is ontstaan over de Surinaamse slaven én hun eigenaars.

In dit eerste deel van de ‘Emancipatieserie Suriname 1863’ zijn alle familienamen te vinden die in 1863 aan Surinaamse slaven zijn gegeven. 4.320 Slaven woonden in Paramaribo en 30.121 slaven waren werkzaam op plantages. Via een handige index is te achterhalen of de slaven in Paramaribo woonden en als het om plantages gaat, op welke plantage. Van elke plantage is een korte beschrijving van de ligging opgenomen en tevens staan in dit boek de belangrijkste eigenaren vermeld.

BSS 23

BSS
Bronnen voor de Studie van Suriname


BSS 23
ISBN 90-5170-742-8
Prijs: € 15,-
H.U.E. Thoden van Velzen
Een koloniaal drama: De grote staking van de Marron vrachtvaarders, 1921.
Utrecht 2003.Wie de Encyclopedie van Suriname (1977: 667-668) opslaat, vindt onder het lemma ‘werkstaking’ uitvoerige beschrijvingen van de onderwijzersstaking van 1966, de lerarenstaking van 1969 en de algemene staking van 1973. Allemaal gebeurtenissen die zich afspeelden in Paramaribo en omstreken; stakingen die in het binnenland plaatsvonden krijgen geen aandacht. Dit geldt ook voor de grote staking van de Bosneger- of Marron vrachtvaarders van 1921, die werd gedragen door de Ndyuka, Pamaka en Aluku Marrons, en gesteund door de Saamaka Marrons. Toch was deze werkstaking met zijn drie maanden de langste in de Surinaamse geschiedenis, met grote economische en politieke consequenties.
De Marrons verdienden hun geld in de negentiende eeuw vooral met houtkap. Rond 1880 brak een periode van nieuwe economische bedrijvigheid aan met de ontdekking van goudvelden in Frans Guyana. Door omstandigheden waren alleen Marrons in staat de duizenden goudzoekers met proviand en uitrusting naar afgelegen gebieden in het binnenland te brengen. De Marrons beschikten ook over het vervoermiddel (de korjaal) en de kennis om hun weg te vinden door ondiepe en verraderlijke stroomversnellingen. De Marrons veroverden zo een monopolie over het riviervervoer, zowel voor Suriname als Frans Guyana. Deze positie gebruikten zij om hoge lonen en vrachttarieven af te dwingen.
De staking in 1921 kwam als een donderslag bij heldere hemel. Ndyuka vrachtvaarders keerden met lege boten terug uit Albina naar hun dorpen, en het vrachtverkeer op de Marowijne en Lawa was in één keer stilgelegd.Een stelling van dit onderzoek is, dat het verloop van de gebeurtenissen in sterke mate bepaald is door drie personen: Willem Frederik van Lier, gaanman Amaketi en Yensa Kanape. Vooral de rol van Van Lier is omstreden.
De schrijver heeft gebruik gemaakt van archiefmateriaal, en heeft eerdere publicaties vergeleken; veel aandacht gaat naar Nederlandse overheidsdocumenten.

BSS 22

BSS
Bronnen voor de Studie van Suriname


BSS 22

ISBN 90-393-3136-7

uitverkocht

Frank Dragtenstein
‘De ondraaglijke stoutheid der wegloopers’: Marronage en koloniaal beleid in Suriname, 1667-1768.
Utrecht 2002.
Voor Frank Dragtenstein had nog niemand systematisch de archieven over de periode 1670-1760 doorgenomen op zoek naar gegevens over de vroegste geschiedenis van de Surinaamse Marrons, met name over die van de Saramaka, de Matawai en de Aukaners. De meeste schrijvers over slavenverzet en het ontstaan van de Marronsamenlevingen leggen immers het accent op de periode na de vredesverdragen, toen vooral de Boni’s zich nadrukkelijk manifesteerden.
Allerlei vormen van slavenverzet zijn bekend: opstanden, brandstichting en moord, maar de meest succesvolle was marronage, het ‘weglopen’ van plantages. Achter de Surinaamse plantages lag een groot oerwoud dat een schuilplaats bood aan de gevluchte slaven. Aanvankelijk zwierven er kleine groepen gevluchte slaven achter de plantages, maar al vrij snel begonnen kleine samenlevingen te ontstaan. Natuurlijk probeerden de planters hun ‘weggelopen’ en rebellerende slaven terug te krijgen, maar patrouilles die achter hen aangingen, leverden nauwelijks wat op.
Rond 1730 begonnen uit de groepen gevluchte slaven nieuwe gemeenschappen te ontstaan: de Surinaamse Marrons. In het gebied ten zuidwesten van de plantages, tussen de rivieren Suriname en Saramacca, formeerden zich de Saramaka en de Matawai. Ten oosten van de Commewijne vestigden zich vluchtelingen die te beschouwen zijn als de eerste Aukaners. In het moerasgebied ten oosten van de Cottica woonden de eerste Boni’s en in het moerasgebied tussen de Saramacca en de Atlantische Oceaan treffen we een kleine samenleving aan, die de voorouders waren van de huidige Kwinti.
De studie ‘De ondraaglijke stoutheid der Wegloopers’: Marronage en koloniaal beleid in Suriname vult een belangrijke leemte in de Surinaamse geschiedenis op. Het uitgangspunt van Frank Dragtenstein is de chronologische weergave en beschrijving van slavenverzet, marronage en overheidsmaatregelen over de periode 1667 (toen Suriname Nederlands werd) tot 1770 (enige jaren na de vredesverdragen met de Aukaners, de Saramaka en de Matawai).
De bouwstenen voor dit goed leesbare boek vond Frank Dragtenstein in het Nationaal Archief te ‘s-Gravenhage, in het Rijksarchief Zeeland te Middelburg en het Gemeentelijk Archief van Amsterdam. Het bronnenmateriaal in de archieven uit deze beginperiode van de Surinaamse geschiedenis is zeer kwetsbaar en niet altijd toegankelijk.
Een aantal belangrijke episoden uit de Surinaamse geschiedenis passeren in dit boek de revue en worden met elkaar binnen een logisch betoog verbonden: de Indianenopstand van 1678 tot 1686, de inval van de Franse admiraal Cassart in 1712, de genese van de diverse Marrongroeperingen: de Saramaka, de Matawai, de Aukaners, de Boni’s en de Kwinti. Uitgebreid gaat Dragtenstein ook in op de mislukte vrede met de Saramaka in 1749 en de Tempati-opstand van 1757 die de opmaat zou worden tot de vredesverdragen met de Marrons in 1760, 1762 en 1768.

BSS 21

BSS
Bronnen voor de Studie van Suriname


BSS 21

ISBN 90-5538-032-6

NUGI 653/941/614

Prijs: € 15,-

Cornelis Dubelaar & André Pakosie
Het Afakaschrift van de Tapanahoni in Suriname.
Utrecht 1999. Wanneer het precies was, is niet meer bekend, maar het gebeurde waarschijnlijk in 1908. Op zekere nacht kreeg de Ndyuka Bosneger, Afaka, een droom waarin hem de geest van een blanke verscheen. Deze geest droeg hem op een schrift te ontwerpen voor zijn stamgenoten die tot op dat moment analfabeet waren. De Ndyuka Bosnegers zijn de afstammelingen van slaven die in de achttiende eeuw de wrede Surinaamse slavernij ontvluchtten. Zij vestigden zich in de oerwouden van Suriname, veilig boven de grote watervallen.
Afaka gaf gehoor aan de droom. In de dagen daarna ontwierp hij zijn schrift. Iedere twee of drie dagen ontwierp hij een teken, 56 in totaal. Het waren lettergreeptekens en met die 56 syllabe-tekens is het mogelijk alle Ndyuka-woorden te schrijven.
In het begin hield Afaka zijn uitvinding voor zichzelf, maar de verschijning van de komeet van Halley in 1910 was voor hem een teken dat hij de kennis van het schrift moest verbreiden. Afaka had contacten met katholieke missionarissen die rond die tijd pogingen deden de ‘heidense’ Ndyuka tot het katholicisme te bekeren. De missie zag onmiddellijk het belang in van Afaka’s schrift voor de kerstening van deze Bosnegers, maar de belangrijkste opperhoofden moesten niets van het katholicisme hebben en wilden daardoor ook niets van het Afaka-schrift weten. Binnen de Ndyuka-samenleving is evenwel altijd een kleine groep actief gebleven die het Afaka-schrift leerde en de kennis ervan doorgaf.
Cornelis Dubelaar en André Pakosie hebben in dit boek alle door Afaka geschreven teksten bijeengebracht. Het zijn filosofische en religieuze teksten. Opgenomen zijn de teksten in het Afaka-schrift met een Sranantongo (Surinaamse) en een Nederlandse vertaling. Het boek bevat verder een duidelijke inleiding waarin het werk en de persoon van Afaka beeldend beschreven worden en geplaatst binnen de maatschappelijke context van het begin van de twintigste eeuw.
Cornelis Dubelaar (geboren 1917), neerlandicus, was van 1951 tot 1965 leraar Nederlands in Paramaribo. Daar kwam hij in contact met het Afaka-schrift. Hij publiceerde eerder over rotstekeningen in Zuid-Amerika, over de verhaalkunst van de Bosnegers en over Afaka. André Pakosie (geboren 1955) is een Ndyuka die reeds in 1972 begon met publiceren over de culturele en historische aspecten van de samenleving waarin hij opgroeide. Hij behoort tot de kleine kring die het Afaka-schrift kent en doorgeeft. Binnen deze groep is hij de ede-bukuman (hoofdman van het Afakaschrift)

BSS 20

BSS
Bronnen voor de Studie van Suriname

BSS 20

ISBN: 90-393-1883-2

uitverkocht

Peter Meel
Op zoek naar Surinaamse normen.
Utrecht 1997.Jan Voorhoeve (1923-1983) behoort tot het selecte gezelschap Surinamisten, die nationaal en internationaal bekendheid genieten. Zijn wetenschappelijke bijdragen liggen op het terrein van de taalkunde, letterkunde, geschiedenis, culturele antropologie en missiologie.
Op zoek naar Surinaamse normen bevat een keuze uit de nagelaten geschriften van Voorhoeve, geschreven tussen 1950 en 1961. Een periode die begint met Voorhoeve’s kennismaking met Suriname als student-assistent en eindigt met de vier jaar die hij als onderzoeker en bijbelvertaler in het toenmalige rijksdeel doorbracht. In deze jaren ontplooide Voorhoeve tal van wetenschappelijke en culturele activiteiten. Zijn geschriften, deels egodocumenten (dagboeknotities en brieven), deels teksten van rapporten en lezingen, leggen hier op een levendige wijze getuigenis van af.
Bepalend voor Voorhoeve’s levenslange gerichtheid op Suriname waren Eddy Bruma en Henny de Ziel. Met beide figuren onderhield Voorhoeve vriendschappelijke betrekkingen en zette hij zich in voor de culturele emancipatie van het Surinaamse volk. Voorhoeve was de enige Nederlander die het vertrouwen genoot van de door Bruma geleide nationalistische vereniging Wie Eegie Sanie en die in woord en geschriften meehielp het Sranantongo te promoveren van een onderdrukte omgangstaal tot een volwaardige cultuurtaal. Het is dank zij Voorhoeve dat kennis over de vroegste fase van het Surinaamse nationalisme bewaard is gebleven en dat van binnenuit een beeld kan worden verkregen van de tegenwerking die de beweging van het establishment ondervond.
Henny de Ziel publiceerde in 1957 onder het pseudoniem Trefossa de dichtbundel Trotji. Hierin toonde hij de veelzijdigheid van het Sranantongo als literaire taal en demonstreerde hij dat ideeën en emoties zich op een heel persoonlijke wijze in deze taal laten uitdrukken. De uitgave van Trotji, de eerste dichtbundel in het Sranantongo, was een initiatief van Voorhoeve, die de gedichten had geselecteerd, van annotaties, vertalingen en een verklarend essay had voorzien. Hij had de taalkundigen Hellinga en Pée bereid gevonden de bundel in te leiden. Trotji wordt nog altijd beschouwd als een mijlpaal in de Surinaamse literatuur. Voorhoeve en De Ziel moeten bovendien worden genoemd als de ontdekkers van de poëzie van Michaël Slory en Shrinivasi, die zij stimuleerden bij het schrijven en publiceren van hun eerste werk. Slory en Shrinivasi zijn de twee meest vooraanstaande Surinaamse dichters van dit moment.
Met Lou Lichtveld (Albert Helman) stond Voorhoeve op minder goede voet. Behalve uit conflicterende karakters moet hun moeizame verhouding worden verklaard uit een verschil in ideologische stellingname. Voor Lichtveld was het Sranantongo een uitstervende taal, die in de dagelijkse omgang nog wel werd gebruikt, maar die steeds meer terrein op het Nederlands verloor, aangezien de laatste taal volgens hem gevoels- en denknuances beter tot zijn recht liet komen. Voorhoeve bestreed deze zienswijze, beschouwde het Sranantongo als de eigen taal van de Surinaamse bevolking en pleitte voor een opwaarderen van het Sranantongo tot officiële taal van Suriname. Hij verweet Lichtveld teveel vanuit een Westerse optiek te oordelen en te weinig bekend te zijn met de cultuur van de Surinaamse volksklasse.
Voorhoeve’s nagelaten geschriften geven niet alleen een beeld van zijn intense betrokkenheid bij Suriname en zijn veelzijdige belangstelling voor de sociaal-culturele ontwikkelingen in het land, ze werpen ook een helder licht op de ontstaansgeschiedenis van zijn wetenschappelijk oeuvre. Als zodanig zijn ze van groot cultuurhistorisch èn wetenschapshistorisch belang. Dit geldt in het bijzonder waar het gaat om Creole Drum. In deze vermaarde studie bracht Voorhoeve voorbeelden bijeen van traditionele en moderne Creoolse cultuur en richtte hij een monument op voor eertijds veronachtzaamde en geminachte uitingen van beschaving. Het boek onderstreept het belang van historische kennis voor de zoektocht van een volk naar een eigen identiteit.
In bredere zin vormen de nagelaten geschriften een bijdrage aan de kennis over de dekolonisatie van Suriname, een proces dat nog altijd niet is afgesloten en dat door Voorhoeve vooral in zijn culturele dimensies is onderzocht. Tegen de achtergrond van de losmaking van Suriname uit het Koninkrijk der Nederlanden, manifesteert Voorhoeve zich op een uitgesproken wijze als wetenschapper en cultuurpoliticus en wordt inzichtelijk wat zijn aandeel in de Surinamistiek feitelijk is geweest.
Peter Meel (1959) is historicus en publiceert over de moderne politieke en sociaal-culturele geschiedenis van Suriname.

BSS 19

BSS
Bronnen voor de Studie van Suriname

BSS 19

ISBN: 90-393-1460-8

uitverkocht

Gegevens uit dit boek zijn sinds juli 2001 toegankelijk via de website van het Nationaal Archief.

Okke ten Hove & Frank Dragtenstein
Manumissies in Suriname, 1832-1863.
Utrecht 1997Een paar maanden geleden belde Sigi Wolf mij. Ik was toen bezig aan de redactie van een boek waarin Okke ten Hove & Frank Dragtenstein de manumissie in Suriname over de periode 1832-1863 behandelden. Manumissie was het onder bepaalde voorwaarden vrijgeven van slaven. Het woord is afgeleid van de Romeinse rechtsterm manumissio, hetgeen letterlijk vertaald betekent: ‘uit de hand wegzenden’. Ook in Suriname bestond in de slavernijperiode de mogelijkheid voor slaven gemanumitteerd te worden.
In het manumissieboek van Okke ten Hove & Frank Dragtenstein zijn onder meer 6.364 namen opgenomen van alle slaven die tussen 1832 en 1 juli 1863 in Suriname op deze manier de vrijheid kregen. Sigi Wolf was geïnteresseerd in de vraag of zijn familie van één van die gemanumitteerden afstamde. Dat viel vrij gemakkelijk te achterhalen, want het boek heeft een aantal duidelijke indexen. En de naam Wolf kwam voor, onder de nummers 1140-1143. Uit de begeleidende informatie kon het volgende gereconstrueerd worden. Op 20 december 1841 kreeg de slavin Adjuba de vrijheid onder de naam Adjuba Sara Wolf. Tegelijkertijd werden haar drie kinderen gemanumitteerd: Daniel, Josephine en Marianna. De eigenaar/vrijgever was Daniel Jessurun Lobo Jzn.
Een heel klein beetje, maar niet al te wilde speculatie: ‘lobo’ is het Portugese woord voor ‘wolf’. De oudste zoon van Adjuba Sara heette Daniel, dus die zal wel naar zijn vader vernoemd zijn: Daniel Jessurun Lobo. Het was in Suriname niet toegestaan aan gemanumitteerden reeds bestaande familienamen te geven. ‘Lobo’ mocht dus niet, maar de vertaling ‘wolf’ wel. Adjuba en haar dochters bleken in 1841 bij de aanvraag tot manumissie te zijn ingeschreven in het Register van de Israelitische Gemeente. Zij vonden op die manier aansluiting bij de Joodse kleurlingengemeenschap die in 1759 een apart kerkgenootschap had opgericht dat de naam Dahre Jesarim droeg.
Hoeveel slaven gedurende de gehele periode van slavernij via manumissie de vrijheid hebben gekregen, valt niet exact te bepalen, daar vóór 1832 manumissies niet systematisch werden bijgehouden. Dat veranderde in 1832. Vanaf dat moment werden de gemanumitteerde slaven bijgeschreven in een manumissieregister. Een dergelijk manumissieregister is niet aanwezig in Nederland. Door combinatie van verschillende bronnen, die ieder op zich veelal incompleet waren, maar elkaar complementeren, konden de namen van alle 6.364 slaven die vanaf 1832 gemanumitteerd werden, achterhaald worden. Zij zijn allemaal in Manumissies in Suriname, 1832-1863 opgenomen.
De waarde van dit 441 pagina’s tellende standaardwerk schuilt in het feit dat het een chronologische opsomming geeft van alle gemanumitteerden tussen 1832 en 1863. Naast een familienaam zijn gegevens te vinden met betrekking tot het geslacht, de leeftijd, de datum van toekenning van manumissie, de eigenaar, familierelaties, het beroep dat men bij vrijwording ging uitoefenen en een bronverwijzing. In een uitgebreide inleiding verklaren Ten Hove & Dragtenstein het fenomeen manumissie, laten zij zien hoe de criteria voor het toekennen van manumissiebrieven gedurende de slavernijperiode veranderden en geven zij een overzicht van de sociaal-maatschappelijke positie van deze Surinaamse bevolkingsgroep. Een Fundgrabe zowel voor de genealogisch geïnteresseerde Surinamer, als voor de belangstellende in Surinames boeiende geschiedenis.

Wim Hoogbergen

BSA 18

BSS
Bronnen voor de Studie van Suriname

BSA 18

ISBN: 90-393-1288-5

uitverkocht

Ellen Klinkers
Op hoop van vrijheid: Van slavensamenleving naar Creoolse gemeenschap in Suriname, 1830-1880.
Utrecht, 1997.Een aantal jaren geleden verzuchtte Gert Oostindie in Oso, Tijdschrift voor Surinaamse Taalkunde, Letterkunde en Geschiedenis dat in de archieven over Suriname zo weinig te vinden valt over het leven van de gewone slaaf. Economische gegevens vond hij volop, want plantages waren grote ondernemingen waar men zorgvuldig de winst- en verliesrekeningen bijhield, maar over de cultuur van de slaven zou maar weinig te vinden zijn. Oostindie sprak in dat artikel over ‘onherroepelijk verloren gegaan’. Waarschijnlijk moeten wij hem gelijk geven voor een groot gedeelte van de slavernijperiode.
Rond 1840 evenwel veranderde dit. Herrnhutter zendelingen kwamen het Christendom onder de slaven prediken. Zij keken met een ander oog naar de cultuur van de slaven dan de eigenaren en bestuursambtenaren voor hen deden. Voor de hedendaagse onderzoeker is het uitermate prettig dat de zendelingen uitgebreid noteerden wat hen opviel aan het slavenleven. Eindelijk andere gegevens dan cijfers over investeringen, prijzen van slaven, rentabiliteit van slaven en geëxporteerde oxhoofden suikers. En dankzij Ellen Klinkers eindelijk een historisch verantwoord boek, waarin het alledaagse leven op de Surinaamse plantages rond de Emancipatie centraal staat.
Op 1 juli 1863 werd de slavernij in Suriname afgeschaft, maar dat bracht geen grote veranderingen met zich mee. Nadat er dagenlang uitbundig gefeest was, ging iedereen gewoon weer aan de slag. Gedurende een overgangsperiode van tien jaar bleven de voormalige slaven op de plantages werken, maar ze kregen nu betaald en hadden het recht van werkgever te veranderen.
In Op hoop van vrijheid behandelt Ellen Klinkers de overgang van slavensamenleving naar Creoolse gemeenschap in Suriname over de periode 1830-1880. Zij doet dat in een boeiend betoog met goed gekozen anekdotes die het de lezer mogelijk maken, een duidelijk inzicht te krijgen in het leven op het Surinaamse platteland in de vorige eeuw. Zij besteedt veel aandacht aan het slavengezin. Bestond dat eigenlijk wel? Als we kijken naar studies over Afro-Amerikaanse gezinnen, dan valt op dat de schrijvers erover vaak de onvolledigheid en instabiliteit van deze gezinnen benadrukken. Zij gaan daarbij volkomen voorbij aan de betekenis van de familie voor de slaven, de hulp die verwanten elkaar gaven: broers aan zusters en omgekeerd, en de rol van de grootmoeder in het regelen van allerlei familiaire aangelegenheden. Op Surinaamse plantages woonden families, waarbij de verwantschap belangrijker was dan de aanverwantschap. Ellen Klinkers beschrijft deze families met gevoel, met nauwkeurigheid en met respect.

BSA 17

BSS
Bronnen voor de Studie van Suriname

BSA 17

ISBN: 90-393-0567-6

Prijs: € 15,90

Chris de Beet (red.)
Skrekiboekoe – Boek der Verschrikkingen: Visioenen en historische overleveringen van Johannes King.
Utrecht, 1995.Johannes King, een legendarische figuur in de geschiedenis van Suriname, was de kleinzoon van de Matawai granman Kodjo. Omstreeks 1857 spoorde God hem in zijn dromen aan zich tot het christendom te bekeren. Al vrij kort na zijn doop leerde Johannes King lezen en schrijven. Hij ondernam zendingsreizen door het bosland om de bewoners van verafgelegen streken in contact te brengen met het christendom.
Reeds tijdens zijn leven genoot King bekendheid die zich uitstrekte tot ver buiten de grenzen van Suriname. De zendingswereld beschouwde het als een wonder dat King uit eigen beweging het evangelie onder zijn landgenoten verkondigde in streken die zo moeilijk toegankelijk waren gebleken voor de zendelingen. In Duitse, Engelse en Nederlandse zendingstijdschriften werden artikelen aan Johannes King gewijd. Ook treffen we zijn naam aan in overzichtswerken van de zendingsgeschiedenis van Suriname.
De vroegste geschriften die van zijn hand bekend zijn, schreef King in 1864. Het laatste manuscript dateert uit 1894. Sommige geschriften hebben het karakter van een reisverslag of dagboek. Andere verhalen geven een terugblik op het leven van King en zijn familie. King beschrijft uitvoerig de gebeurtenissen na zijn bekering. De tempels werden afgebroken en alles wat met de Tata Fodoe cultus te maken had, werd in de rivier gegooid. De mensen die bezeten waren door winti, werden van hun geesten bevrijd en gaven zich op voor de doop.
King kreeg in die tijd visioenen waarin God hem opdracht gaf een kerk te bouwen. In het Skrekiboekoe vinden we een eenvoudige bouwtekening van de kerk. Deze zou als model dienen voor de eerste kerk van Maripaston. Het enthousiasme onder de bevolking was zo groot dat iedereen bij de bouw meehielp. Toen in 1860 zendelingen voor het eerst een bezoek brachten aan Maripaston, hadden in het dorp de ‘heidensche’ tempels plaats gemaakt voor een kerkgebouw.
Naast dromen en visioenen bevat Skrekiboekoe. Visioenen en historische overleveringen van Johannes King teksten met een sterk autobiografisch karakter. Skrekiboekoe bevat een uitgebreid corpus van dromen die over een langere periode door de dromer zelf zijn opgeschreven. Deze dromen waren voor King geen gewone dromen, maar openbaringen van God. De dag des oordeels is een veel voorkomend thema in Skrekiboekoe.
Met de uitgave van Skrekiboekoe. Visioenen en historische overleveringen van Johannes King is nu vrijwel al het werk van Johannes King gepubliceerd. In 1973 verscheen Life in Maripaston onder redactie van H.F. de Ziel. In 1981 verscheen onder redactie van Chris de Beet: Johannes Kings Berichten uit het bosland.
De tekst van Skrekiboekoe is in kolommen gezet. De linker kolom bevat de transcriptie in het Sranan Tongo, de rechter een vertaling in het Nederlands. Het 334 pagina’s dikke boek bevat verder een gedegen inleiding en een uitgebreid literatuur overzicht. Ook zijn de originele illustraties van King uit zijn manuscript erin opgenomen.
Johannes King schreef het eerste originele werk van enige omvang in het Sranan Tongo. In zijn werk klinkt de stem van een bevolkingsgroep die in die tijd nauwelijks gehoord werd.

BSA 16

BSS
Bronnen voor de Studie van Suriname

BSA 16

ISBN: 90-393-0923-X

uitverkocht

Ruud Beeldsnijder‘Om werk van jullie te hebben.’ Plantageslaven in Suriname, 1730-1750.

Utrecht, 1994.‘Ik ben niet gekomen om te doden, maar om werk van jullie te hebben.’ Zo reageerde eens in de slaventijd in Suriname een verontwaardigde plantagedirecteur toen opstandige slaven te hoop waren gelopen en luidkeels riepen dat het alleen maar de bedoeling van de planters was hen te doden.

Ruud Beeldsnijder behandelt die slaventijd in Suriname. Zeer nauwgezet pluisde hij de archieven over Suriname over de periode 1730-1750 uit om materiaal te verzamelen voor zijn boek dat het begin van de achttiende eeuw bestrijkt, een periode waarin over het slavenleven weinig bekend is. Het unieke van dit boek is dat de slaven het middelpunt vormen. Zij waren dan ook de spil waar het in Suriname om draaide. Immers, suiker en koffie waren voor de Europese markt zeer belangrijk geworden, maar die tropische gewassen konden alleen geproduceerd worden met behulp van slaven. De indianen konden dit zware werk niet volhouden, blanke arbeidskrachten moesten goed betaald worden en voldeden vaak niet, maar slaven waren in die tijd redelijk goedkoop, en de eigenaar behoefde hem alleen maar de kost te geven.

De wereld van de slaven kan het best begrepen worden, wanneer ook van de wereld van de planters een duidelijk overzicht wordt gegeven. Daarom behandelt Beeldsnijder in het eerste gedeelte van zijn boek in drie hoofdstukken de leefwereld van de planters. In de resterende negen hoofdstukken komen de slaven aan bod. Hun werk op de plantages, hun voeding, huisvesting, gezinsrelaties, kinderen, ziekte en sterfte worden beschreven. Maar ook hun verzet tegen harde en te veel eisende meesters.

Al lezende zal blijken dat de slaven niet zo machteloos waren als men vaak heeft gedacht. Zij waren ook ‘partij’ en kozen vaak voor een situatie, waarbij een vorm van onderhandelen, zij het stilzwijgend, mogelijk was. Slaaf en planter waren immers aan elkaar overgeleverd. Hem of haar wegsturen, zoals men dat met arbeidskrachten in Europa gewoon was, kon niet. De slaaf van zijn kant was wel bereid te werken, maar eiste goede voeding en wilde niet worden geslagen of beledigd. Het ging dus om geven en nemen.

Wat het slavenbestaan onmenselijk maakte, was niet zozeer de juridische status waarin de slaaf verkeerde, maar het feit dat de koloniale wetten nauwelijks enige bescherming boden. Wanneer planters of rechters meenden een slaaf te moeten straffen, was er zelden ‘genade voor recht,’ zoals dat weleens voor blanken gold, al waren ook voor hen de straffen zwaar. Slaven werden niet als mens gezien, laat staan als ‘eigen volk’. Voor de planter waren zij alleen werkvee. Daarom bleven slaven ontwortelde mensen, die weinig mogelijkheden hadden tot sociale vooruitgang, en zeer geringe wanneer zij een enkele maal bij wijze van gunst werden vrijgelaten.

Hoe de Surinaamse slaven toch in slavernij hun waardigheid en strijdbaarheid wisten te bewaren, laat Beeldsnijder zien. Het boek toont de slaven als mensen zoals ze in de gehele wereld te vinden zijn, soms dapper, soms laf, soms solidair en in andere gevallen alleen denkend aan eigen belangen, maar vaak slim en omzichtig in hun strategie van overleven.

Een opmerkelijk boek, bestemd voor eenieder die zich interesseert voor Suriname en voor de geschiedenis ‘van onderen op bezien’.